
Gentse burgemeester Joseph Van Crombrugghe op 9 januari 1826. Zoals de meeste van zijn voorgangers sloot ook Mengal zijn seizoen met grote financiële verliezen af. Hij bleef aan als dirigent, maar nam ontslag als directeur.
In zijn tweede (1826-1827) en derde (1827-1828) seizoen dirigeerde Mengal interessante Gentse premières, zoals Mazaniello ou le pêcheur napolitain van Michele Carafa (als eerste operahuis na de Opéra-Comique!) en mocht hij tot twee maal toe de beroemde Franse tenor Alphonse Nourrit ontvangen. Het seizoen 1828-1829 werd op 30 april 1829 afgesloten met La muette de Portici van Auber, niets vermoedend van wat deze opera het jaar nadien in gang zou zetten. Interessante noviteiten in het seizoen 1829-1830 waren Marguerite d’Anjou van Giacomo Meyerbeer en Un jour à Vaucluse, de nieuwe opera van
Mengal waarmee het seizoen op 1 mei 1830 afsloot.
Mengal heeft als dirigent in Gent een duidelijke evolutie meegemaakt, zowel wat betreft het repertoire – van Grétry, Dalayrac en Monsigny naar Auber, Boieldieu, Meyerbeer, Rossini – als wat betreft het genre, dat evolueerde van de korte ‘comédie avec ariettes’ naar de ‘opéra-comique’ en de ‘grand opéra’.
Op 29 augustus 1830 opende Mengal het nieuwe seizoen met La fiancée van Auber, maar nadat La muette de Portici in Brussel haar revolutionaire werk had gedaan, werd de Gentse opera gedwongen haar deuren te sluiten. Tijdens de winter dirigeerde hij in het Théâtre français (de Bourla) te Antwerpen. In de Muntschouwburg werd hij tot zijn grote spijt niet geëngageerd, maar in 1833 vond hij wel emplooi in het Koninklijk Theater van
Den Haag. Ook in Den Haag was de ‘grand opéra’ op korte tijd bijzonder populair geworden wat de kaartenverkoop met maar liefst 50 procent deed stijgen. Volgens Grégoir werd in Den Haag op 25 augustus 1834 Mengals opera Le retour au foyer gecreëerd.
Eerste conservatoriumdirecteur
in Gent
In 1835 werd Mengal door Jan Frans Willems aangezocht om de eerste directeur van het conservatorium van Gent te worden. Mengal lag mee aan de basis van het succes van het Gentse conservatorium, dat in zijn beginjaren al een toptalent als François-Auguste Gevaert produceerde. Gevaert betuigde later dank door zijn Missa solemnis pro defunctis aan zijn leermeester op te dragen. Het conservatorium werd ook een leverancier van nieuw talent aan de orkesten en koren van Gent. In zijn Gentse
jaren schreef Mengal verschillende studiewerken en componeerde hij ook een koorwerk ter nagedachtenis van Jacob van Artevelde. In 1846 werd zijn Juich Rhyn! uitgevoerd in de Keulse Gürzenichzaal tijdens de bijeenkomst van het Vlaemsch-Duitsche Zangverbond.
Mengal overleed op 4 juli 1851, twee dagen vooraleer in zijn geboortestad zijn zwanenzang te horen was: op 6 juli werd zijn koorwerk L’invocation uitgevoerd door Les Mélomanes op een internationale koorwedstrijd die door dit Gentse koor werd georganiseerd. Het koor zamelde geld in om op het kerkhof Campo Santo een grafmonument voor Mengal op te richten. Op de inhuldiging op 18 juli 1859 weerklonken Gevaerts De profundis en zijn hymne À Mengal. Prudens van Duyse las een gedicht voor waarin hij lof bracht aan zijn ‘kunstvriend’, ‘onzen toonendichter (…) die aen Gent zoo dierbaer is’.
Jan Dewilde