
Requiem
Gevaert betitelde zijn requiemmis Missa solemnis pro defunctis, een ongewone benaming die tot nadenken stemt. ‘Missa solemnis’ wijst op een compositie die alle liturgische delen, behalve de lezingen, op muziek zet, in tegenstelling tot de ‘missa brevis’. Verder wijst de benaming ook op het plechtige, feestelijke karakter. Een dodenmis kreeg, afhankelijk van plaats en tijd, de benaming Missa pro defunctis (of Missa defunctorum), Messe des morts of Requiem. De titel die Gevaert meegaf, is dan ook exceptioneel. Een van de zeldzame andere voorbeelden is te vinden bij de Italiaanse componist Lodovico Viadana (ca.1560-1627) die in 1592 een dodenmis met dezelfde titel componeerde.
Gevaert schreef zijn mis ‘ad memoriam dilecti Magistri mei J. Mengal’. Zijn ‘geliefde leraar’ Martin Joseph Mengal (1784-1851) was hoornist en componist en van 1835 tot
zijn dood directeur van het Conservatorium van Gent, waar hij aan Gevaert les gaf. Na Mengals overlijden schreef Gevaert niet alleen dit requiem, hij componeerde later nog ter zijner ere het koorwerk À Mengal.
De Missa solemnis pro defunctis werd gecreëerd in de kathedraal van Brussel op 23 september 1853. Dit gebeurde tijdens de plechtigheid ter herdenking van de gesneuvelden van de onafhankelijkheidsstrijd van 1830. Het is niet duidelijk of toen wel de volledige dodenmis werd uitgevoerd. Sommige bronnen maken gewag van ‘un fragment du beau Requiem de F.A. Gevaert, écrit à 4 parties dans un style large et sévère’.
Gevaert concipieerde zijn mis voor vierstemmig mannenkoor, een koperkwintet (twee trompetten en drie trombones), diepe strijkers (cello’s en contrabassen) en orgel ad
libitum (‘voor de steden en gemeenten waer
het orkest volkomentlijk zou ontbreken’). In de inleiding op de partituur vraagt de componist ‘een groot getal mansstemmen’. Hij schrijft geen solisten voor, enkel in het Pie Jesu treden drie tenoren uit het koor naar voren. Het gebruik van het volle koor zonder solistische inbreng is typisch voor de ‘style antico’. Daarin past trouwens ook het gebruik van het gregoriaans, de strenge koorschriftuur met veel homofone passages die zowel qua harmonie als qua metrum naar het Palestrina-idioom verwijzen, hier en daar licht gekruid met een romantische modulatie. De polyfone passages zijn contrapuntisch doortimmerd, met bijvoorbeeld een strenge fuga in de Sequentia (‘Inter oves’). De begeleiding is klassieker, met de koperblazers die vooral in lange notenwaarden evolueren, terwijl de cello’s en vooral de contrabassen een lenige en
prominente partij spelen. Die confrontatie van stijlen – het koor in neorenaissance-stijl en een klassieke begeleiding, gekruid met romantische pigmenten – is even interessant als origineel.